Saturday, January 04, 2014

Enfin, La Marmotte

Mark en Mark, na gedane zaken
Op 6 juli j.l., even over half drie in de middag was het een feit: ik heb La Marmotte volbracht. La Marmotte is een begrip, althans onder amateurwielrenners. Het is een wedstrijd voor iedereen in de Franse Alpen. Het parcours is als een koninginnenetappe in de Tour de France: achtereenvolgens moeten de Col du Glandon, Col du Telegraph, en de Col du Galibier bedwongen worden, en de streep ligt bovenop Alpe d'Huez. 174 km, 5000 hoogtemeters. Geen sinecure. 7000 mensen doen er tegenwoordig mee. Menig winnaar uit het verleden heeft daarna verdienstelijk meegedraaid in het profpeloton; ik noem een Laurens ten Dam. Het lijkt erop dat La Marmotte vooral voor Nederlanders een mythisch karakter heeft. Het zal ermee te maken hebben dat de bergen voor ons plattelanders toch iets bijzonders blijven. We hebben ze zelf niet en een fietslegende kan je pas worden als je op de zwaarste parcoursen kunt uitblinken. Denk aan Merckx, Indurain, maar ook Peter Winnen, en Rooks en Theunisse. De bergen spreken tot de verbeelding, en één berg in het bijzonder: Alpe d'Huez. De Nederlandse berg - 8 keer won er een Nederlander een touretappe - en laat daar nou de finish liggen van La Marmotte. Bovendien, voor wie in de criteriums en waaierklassiekers niet kan schitteren is La Marmotte een alternatieve weg naar glorie. Dat was zeker zo bij mijn studentenwielervereniging. La Marmotte, dichter bij het Tour de France-gevoel kom je niet. In mijn actieve periode als wielrenner, toen ik 19, 20 jaar was, heb ik hem nooit gereden. Daarna ging ik hardlopen, en marathonschaatsen, en droomde ik van een Elfstedentocht (die ik overigens ook nooit reed). Maar vorig jaar verhuisden Merijn en ik naar Grenoble, de "hoofdstad van de Alpen." Ons nieuwe huis stond plotseling op slechts 50 km van de start van La Marmotte. Toen we kort na onze verhuizing Mark, een goede vriend uit Nederland, stonden aan te moedigen die meedeed aan La Marmotte 2012, en de fietsers voorbij zagen trekken in de laatste steile kilometers voor Alpe d'Huez werd het besluit genomen: volgend jaar doe ik ook mee.
En zo, op zaterdagmorgen 6 juli jl., toen de ochtendzon het dal nog niet had bereikt, snelde ik temidden van een gigantisch, incoherent peloton naar de voet van de eerste beklimming, de Col du Glandon. Na 11 km, in Allemont, zag ik honderden fietsers voor me al tegen de stuwdam opklimmen; toen ik zelf over de dam reed zag ik achter me honderden die nog moesten beginnen. De hele klim haalde ik mensen in, maar het beeld veranderde niet. Rustig aan, was mijn mantra tegen de verleiding elke top als finish te zien. Het kostte moeite, maar ik deed m'n best mijn twee bidonnen voor de top van de Glandon leeg te drinken. Bovenop vulde ik snel bij met water en goot er poeder bij om er sportdrank van te maken. Daarna gelijk door de steile afdaling in. De afdaling van de Glandon is erg gevaarlijk: heel steil in het begin, vrij smal, en scherpe bochten volgen elkaar snel op tot helemaal beneden. In het verleden heeft het tot noodlottige ongelukken geleid en daarom is sinds een aantal jaar de afdaling geneutraliseerd (dat wil zeggen dat de tijd wordt stop gezet op de top en onderaan weer gaat lopen). Desondanks was het een regelrecht slagveld waar we doorheen daalden. In elke bocht stond wel iemand met een lekke band en zeker drie keer zag ik een renner roerloos op het asfalt liggen waarover ambulancepersoneel zich ontfermde. Vlak voor mij klapte een voorband op een steil stuk; gelukkig kon de fietser veilig stoppen. Ik werd er een beetje bang van. Geneutraliseerd of niet, de afdaling van de Col du Glandon bleek een filter voor roekelozen, ondeugdelijk materiaal en remtechniek, want daarna heb ik niets geks meer gezien. Een beetje verkleumd en met stijve schouders en nek bereikte ik de warmte van het dal. Vanaf daar was het 25 km naar de voet van de Col du Télégraphe in Saint-Michel-de-Maurienne, geleidelijk bergop. Ik had me voorgenomen hier geen trap teveel te doen, omdat er geen winst mee te behalen valt. In je eentje win je het nooit van een groep. Het patroon is voorspelbaar: groepen rijden harder dan individuen, dus eenlingen en kleine groepjes versmelten tot steeds grotere, hongerige rupsen, waarin het lekker toeven is. Als een snellere, grote groep een langzamere inhaalt, wordt de langzamere vanaf de staart tot de kop opgegeten totdat deze er aan de achterkant weer uitkomt en de groep zich weer splitst. Wie geluk heeft vindt direct een goede groep gretige hardrijders, wie pech heeft sleurt kilometers tegen de wind in met koekenbakkers achter zich aan voor hij uiteindelijk wordt opgeslokt. Zelf mocht ik niet klagen. Twee sterke Denen in mijn begingroepje wilden graag tempo maken, maar het was duidelijk dat ze anderen zo min mogelijk wilden laten profiteren. Ze reden even hard op kop en gingen toen zitten gebaren dat er gerouleerd moest worden. Ik en de enige andere die mee was gesprongen deden dat braaf totdat we een grotere groep bereikten om de resterende vlakke kilometers in te verbrengen. In Saint-Michel sloeg de weg scherp rechtsaf en begon direct flink te stijgen. Gelijk was er van een groep geen enkele sprake meer. De potige Denen bleken geen klimmers. Ik zocht mijn eigen tempo en hervatte de inhaalrace die ik op de Glandon begonnen was.
In de afdaling van de Galibier
De Col du Télégraphe is een lekkere klim. Met 11 km is de afstand te overzien en het stijgingspercentage is mild. Niet lang nadat ik begonnen was kwam een ranke renner mij voorbijgereden. Hij zag er erg jong uit, had dunne benen, maar uit zijn houding en soepele tred sprak toch ervaring. Zijn snelheid lag net ietsje hoger dan de mijne en elke haarspeldbocht zag ik hem wat verder voor me. Nog voor de top was ik hem uit het zicht verloren. Later vond ik op het internet dat hij Janno de Bruijn was, een jonge renner van WV Breda, en als 52e was geëindigd. Een getalenteerd klimmer; houdt hem in de gaten. Ik merkte dat Janno's trapfrequentie iets hoger was dan de mijne en realiseerde mij weer dat het belangrijker was krachten te sparen dan versnellingen. Ik schakelde een tandje lichter. De drankpost op de col sloeg ik over, een paar kilometer verderop, in Valloire, zou immers de volgende al zijn. In de kort afdaling naar Valloire at ik van mij 'pâte de coign,' de staaf kweeperenpasta die ik op de dagelijkse markt aan het einde van onze straat had aangetroffen en mij uitgelezen sportvoeding had geleken. En gelukkig, ook na bijna vier uur fietsen smaakte het spul uitstekend. Toen ik een paar minuten later door Valloire rolde werd ik ongerust: geen drankpost? Mijn bidons waren zo goed als leeg en zonder vocht waren de 18 kilometer naar de top van de Galibier een heikel vooruitzicht. De zon was inmiddels flink hoog geklommen en straalde vol op de zwoegende ruggen van de wielrenners. Na Valloire liep de weg direct flink omhoog. Na ongeveer een kilometer zag ik een groot geel bord. Ravitaillement à 1 km stond erop. Inderdaad was daar een grote drankpost met partjes fruit en kranen om bidons te vullen. De eerste bidon vulde ik met water en dronk direct met grote teugen. Daarna goot ik vlug vers sportdrankpoeder in beide bidons en liet ze vollopen met heerlijke koele water. Nu kon mij weinig meer gebeuren.
De eerste kilometers tot de scherpe bocht bij Plan Lachat waren warm maar gingen vlot voorbij. Plan Lachat markeert het einde van het hoofddal. Vandaar klimt de weg tegen een flank op om via een zijdal de Col du Galibier te bereiken. Die laatste 8 kilometer tussen Plan en Col zijn steiler en de hoogte doet zich gelden. Ik merk direct dat m'n ademhaling sneller wordt en het tempo lager; ik moet een nieuwe balans vinden, doorrijden maar niet forceren, nu nog niet. Toch is elke col een soort tussenfinish waarna herstel wacht en dus laat ik me de laatste kilometers vaak verleiden tot een iets hoger tempo. Na de eerste steile kilometers vanaf Plan Lachat wordt de weg wat toegeeflijker en kan ik de top zien. Ik haal nog steeds deelnemers in en rijd van rijder naar rijder. Bovenkomen op de Galibier voelt als finishen. Tussen mij en mijn lief zijn geen obstakels meer. Er is slechts 40 km afdaling naar Le Bourg d'Oisans en daarna als toetje nog de klim naar Alpe d'Huez. Dat is geen licht toetje, maar ik zal er de tijd voor hebben, mocht dat nodig zijn.
Petra
Petra
De drankpost op de Galibier sla ik over, maar daar krijg ik al snel spijt van. Petra (vrouw van vriend Mark) staat weliswaar met een verse bidon op mij te wachten aan de voet van de Alpe, maar die lange afdaling daarnaartoe gaat al snel een uur duren en is bij uitstek geschikt de vochtbalans te herstellen. Terwijl ik de bochten van de afdaling naar de Col du Lautaret goed probeer aan te snijden vervloek ik mezelf en ook het hobbelige asfalt dat een aanslag op mijn nekwervels pleegt. Ik ben alleen en de wind waait hard. Op de Col du Lautaret zitten mensen langs de kant en wijzen politiemensen de wielrenners de goed richting op: rechtsaf, de brede route nationale op richting Grenoble. Het lijkt wel koers.
De wind blaast in het gezicht en ondanks de dalende weg zakt m'n tempo snel. Dit is ontmoedigend, zo wordt het nog hard werken waar ik op rust had gerekend. Een kleinere man komt me voorbij en ik kruip in zijn wiel. Op onverklaarbare wijze daalt hij zonder te trappen sneller dan ik terwijl ik zijn zog zit. Ik snap er niets van. We halen nog een tweetal in en van achteren sluiten meer renners aan. Terwijl we geleidelijk dalen en de tunnels elkaar snel opvolgen wordt de groep groter. Een kaar raak ik met mijn linkervoet het voorwiel van een kleine man omdat ik iets uitwijk naar links. Ik schrik, maar gelukkig blijft de man overeind. Met een mannetje of 20 à 30 komen we terug in Le Bourg d'Oisans, aan de voet van Alpe d'Huez. De renners die voor me rijden slaan plotseling af, naar de drankpost, en een groep is van het ene op het andere moment geen sprake meer. Ik rijd door want een stukje verder zal Petra staan met een verse bidon voor mij. Een bocht naar links en ik kijk tegen de asfaltmuur aan die naar de Alpe leidt. Ik zie Petra nergens en voel direct mijn droge mond. Maar dan hoor ik haar mijn naam roepen en als ik omkijk zie ik Petra met mijn bidon en een gelletje achter me aan rennen. Dankbaar neem ik de bevoorrading aan en begin aan de finale.
Merijn, met haar nieuwe shirt
Merijn, met haar nieuwe shirt
Het venijn van Alpe d'Huez zit 'm in de kop; de eerste twee kilometer naar het gehucht La Garde zijn het steilst, meer dan 10%. Als je die overleeft moet de rest ook lukken. Ik probeer een goed tempo te vinden, nog niet te veel te geven en niet te trots te zijn voor de lichtste versnelling. Wat is het warm! Na La Garde volgt een lang stuk tegen een steile bergwand waarop het kerkje in de fameuze 'Bocht 7' - de Dutch Corner - als een vuurtoren over de vallei waakt. Veel energie heb ik niet meer over maar het gaat nog; de ergste pijn zit in mijn brandende voetzolen. Af en toe kan ik een tandje zwaarder schakelen, maar steeds als het weer iets steiler wordt, moet ik toch weer een versnelling terug. Bij het kerkje staat Merijn me op te wachten. Ik herken haar laat, want ze heeft een nieuw shirtje aan. Omdat ik te moe ben om direct tot die conclusie te komen blijft de verwarring nog enige tijd bij me. "Gaat ie goed? Nog een half uurtje!" roept ze en rijkt me een verse bidon met water aan. Ze heeft een uitstekende plek gekozen, ideaal voor een laatste shot motivatie. Arrivée à 6 km, staat er even later langs de kant. Een half uurtje, zou moeten kunnen. Ik spuit wat water door mijn helm en door het verkoelende effect lijk ik opeens even wat harder te kunnen rijden. Ik zou dat vaker moeten doen, maar verzuim. Van de vorige keer dat ik hier omhoog reed herinner ik me dat na het dorpje Huez een vlakker stukje komt, maar deze keer blijkt dat een fata morgana; de verlichting blijft uit.
Al sinds ik aan de klim begon zie ik renners naar beneden komen, de snelle mannen die de tocht al hebben volbracht. Steeds als ik er één zie kijk ik of het m'n vriend Mark is, man van Petra, en een half uur eerder gestart met serieuze ambities. Ik heb hem nog steeds niet gezien als ik tussen de gebouwen van het skidorp kom waar de weg afvlakt en nog slechts anderhalve kilometer tot de aankomst rest. Dan ben ik of goed bezig, of hij wacht me op na de streep. Het geeft me moraal om flink door te trappen tot de laatste meter. Zo soepel mogelijk zwier ik over de rotonde en langs de drankhekken onder de aankomstboog door. Plotseling is het voorbij, gedaan, volbracht.
Finish!
Even verderop staat Mark me inderdaad op te wachten. Fijn hem te zien, fijn niet alleen te zijn na 7 eenzame uren in het zadel, ondanks de massa fietsers om me heen. Volgens de tijd op mijn horloge moet ik er ongeveer 7 uur over hebben gedaan. Mark is er al een tijdje. Hij loopt met me mee om de chip van de tijdwaarneming in te leveren en de oorkonde met eindtijd op te halen. De officiële tijd is 6:34 (zonder afdaling van de Glandon dus), wat later goed blijkt voor de 108e plaats in de einduitslag. Dat is veel meer dan ik had gehoopt. Mark is met 6:19 een kwartiertje sneller (51e plaats). Voor hem is het zijn beste tijd van al zijn deelnames. Ik voel me leeg, maar heerlijk. Samen dalen we terug de Alpe af naar Bourg. We moeten goed uitkijken voor zich omhoog worstelende deelnemers die soms op de verkeerde weghelft rijden om dat daar wel een beetje schaduw is. Uitgeputte mannen zitten in beekjes die van de berg af komen. Het lijkt een slagveld. Beneden in het dorp vinden we onze vrouwen op het terras van een hotel. Wij zijn dan niet de nieuwe Rooks en Theunisse, maar de hoofdprijs is toch voor ons.
Ook Merijn en Petra zullen blij zijn dat het voorbij is, dat ze even verlost zijn van onze mentale afwezigheid, kinderlijke spiegelingen aan Froome en Contador, getwijfel over voeding, walmende sportkleding en een besmeurd bad omdat daar de fiets zonodig schoongemaakt moest worden na weer een trainingsrit in de regen. Voorlopig tenminste.

Sunday, August 18, 2013

Grande Randonnée 54

Col du Vallon, last day - view back on Lac de la Muzelle 
This day after coming home from our hiking the GR54 (i.e., most of it), my mind is engrossed by the reflections of the many and varied experiences on the trail. After a false start (missed the bus to the trailhead in Villar d'Arène), Merijn and I headed into the Écrins from the camping municipal at Pied du Col one day late. After seven gorgeous days we finished in Bourg d'Oisans. It is almost unimaginable how favorable the weather conditions we experienced. Not a single drop of rain, and even the worst day required sunscreen. Days generally consisted of climbing up to a col (2200-2700 m) in the morning, then descending down to the next crossing of valleys (1100-1800 m) in the afternoon. Up and down, rarely flat. Close to the cols we encountered narrow trails winding their way up through steep slopes of loose slate where error tolerance seemed very small. We thanked heaven for not treating us to rain and fog on those delicate sections. Regardless of the ascent, magnificent new views awaited at the top, which never cease to take one's sparse breath away. According to my beautiful, analogous altimeter, we climbed a stable 450-500 m/h, making the ~1000 m ascents very manageable.
Made it, safely! Col de l'Aup-Martin

A bit of a blister
When we started our hike, our backpacks felt heavy on our hips. Fortunately, over the days, we grew more and more at ease with the weight on our backs and adapted to the challenges the trail poses to the body. Descending never really got comfortable, though, putting a strain on the knees and foot soles.
More problematic, right on the first day Merijn contracted huge blisters on both heels. We tried to treat and package them carefully. However, when we took the bandage off after four days, we found the one blister had grown into a complex cluster of multiple blisters. With a bigger bandage and new tape my tough wife managed to sustain the discomfort during the second half of the trek.

Most days, we camped at the camp sites in the stage village, or on a flat patch close to the refuge (La Muzelle) or gîte d'étape (Le Désert). The gîte communale in Le Désert deserves big thumbs-up, for the hospitable host, tasty cuisine, its Leffe on tap, and excellent facilities.

Col de Vaurze, view on Le Desert
At the Refuge Pré de la Chaumette, we met a few other couples who were on the same trail. It was fun to meet some of them again after or during the next few stages. One elder couple we already met twice the days before was close to finishing. The woman seemed to carry quite a big bag and, unlike many others, did not use sticks. They didn't walk fast but progressed steadily and were sure to complete the 174 km loop. The woman, with her brown eyes magnified by her slim-rim glasses and shrugging her shoulders about navigating the steep slate passages, reminded me of my mother a bit.

At our first camp site in Le Monêtier we crossed paths with John from the UK for the first time, who at that time I still held for an Italian because of his compact physique and tanned face. It wasn't until we really met on the trail just below the Col de l'Aup-Martin two days later that we learned he was actually from England.
Bivouac at Lac de la Muzelle, view on glacier
Over the next days we would meet again and again, and also get to know Tim and Pam, who were from the UK as well and happened to know John. It was obvious that John was a strong hiker, carrying a big, retro, army-green backpack which held everything he needed to survive without any support on the trail. The explanation came when we learned that Tim and John knew each other from the ultra running scene. John was preparing for the Tour des Géants, a 200-mile foot race in the Dolomites, and Tim is a front-end competitor in 100-milers like the UTMB (ultra trail du Mont Blanc) and the Leadville Trail 100. They happened to know some of the characters featuring in "Born to Run," the book on ultra running I devoured a couple years ago. Pam does not do such extreme things, but she looks like she could win these events if she'd decide to participate. So we were in good company. Tim was hiking in preparation of La Petite Trotte à Léon, a 300 km team endurance event in Chamonix. It blew our mind when we realized that these events cover about twice the distance of the entire GR54. The last night we camped together at Lac de la Muzelle, looked over by what remains of the magnificent Glacier de la Muzelle. I was sad having to part ways with our new friends the next day and hope to meet them again.

Fat marmotte
Over seven days, apart from fuzzy marmottes, we saw few game. A few chamois, but that's about it. No wolves or bouquetins (alpine ibex). We did see eagles (short-toed snake eagle), one close to Entre-les-Aygues and several enjoying the upwind above the Col de Vaurze, and butterflies, countless crickets, ants, tadpoles in mountain lakes, flies, and sheep, many sheep, high up on most slopes, eating whatever grass is left to turn it into local cheese and scat. At La Muzelle, in the early morning, our campsite got checked out by big guardian dogs, which looked like a cross-over between a golden retriever and a wolf, before a huge flock of sheep came to graze the meadow. Fortunately, they took little interest in our morning routines and let us leave in peace. With the return of the wolf to the French Alps, guardian dogs are becoming more and more popular with shepherds to protect their flocks.

Very loyal butterfly
Another interesting encounter we had at Entre-les-Aygues. We were drying our tent and having breakfast between the trees next to one of the streams crossing the plain when suddenly two horses (no humans) came walking down the trail. They looked heavy, light brown with blond hair. It was surreal. To our astonishment, the front horse left the trail and came up to us through the bushes. The other followed but soon stopped. The front one continued until we could easily touch it. It stopped, sniffed, then hit his chin against its breast. We kept our calm. Then the horse turned away and together with its pal continued its march up the trail. Merijn and I cross-checked if we had just both seen the same thing. I regret but have reconciled myself with the fact that I'm not much of a plant guy. I cannot identify many varieties and where I'm faster at spotting moving life forms, Merijn is always first at spotting blackberries, raspberries, strawberries and the like. Let's say I enjoy the flowers on a higher level, as "flora" instead of at the level of the individual species.

When we walked the final kilometers to Bourg d'Oisans, although I was looking forward to a shower and a comfortable bed I was sad it was over. Over seven days I got used to life on the trail more and more, and where at the beginning I had felt some nervousness for what lay ahead, and which absorbed quite some energy, I finally felt ready to more fully enjoy it when in fact it was over. We had the easiest conditions, of course, with no rain, let alone snow, clear trails, no need to cross snow fields or use an ice axe. It doesn't mean there's no danger. In Le Desert we learned that two days before our passage a British hiker (female teacher of 52) was found dead on the trail to Col de Vaurze closeby. She had fallen 100 m, probably after tripping or sliding off the trail. And a few days before that, the lives of two frenchmen ended in a 20 m deep crevasse of the Glacier de la Muzelle. That's why I don't do mountaineering. The danger-reward balance doesn't work for me; I don't see the point of climbing to summits and don't get a kick out of adrenaline. I think I'll stick to hiking and venture into extremes if there are short exit routes. Make endorfine, not adrenaline.

Lastly, and counterintuitively I think, the trekking does get less boring over time (up to our seven days at least). No trail is the same. No stretch can be said to be typical for the Ecrins; there are many resolutions to choose from, and the trail and slopes, the conditions, and the views never cease to surprise.
View on sea of clouds in the valley of the Drac de Champoléon

Thursday, March 07, 2013

Clean sport requires everyone's cooperation

Following Michael Boogerd's confession to the use of performance enhancing drugs, he faced ugly convictions in cyberspace. Whoever unloads his fury on the cyclist, may he first take a look in the mirror. The more it becomes clear that doping was widespread, the less one can talk of cheating. The fact that so many cyclists (boys in their early twenties mostly) chose to dope fuels doubt about the strength of the spine and the moral compass of people in general. There's no lack of evidence: cartels in construction, the housing bubble, and I heard that even children in the Netherlands arrive at their high-school selection test (citotoets) 'prepared'. We all (most of us) share similar weaknesses. That is not to say that Boogerd's resort to doping wasn't wrong and shouldn't be tried. Doping should be fought, for the protection of the athletes themselves from the forces that drive them toward the drug cabinet. It looks like this is slowly being recognized. Media, sponsors, fans, prize money, ranking system, salaries in the millions, cut-off of alternative career paths - they all create a virtuous circle that amplifies the separation of winners and losers. The stronger the circle, the more rotten the culture, not just in cycling. It needs to be weakened or strongly balanced. Here lies a possible contribution for everybody. If those who confess are vilified, we raise the barrier for those who've been silent, whereas as many testimonies as possible are needed. In this regard, it is disappointing that so little news seems to come from Italy and Spain, the alleged nurseries of the EPO-era.

Wednesday, December 05, 2012

Sustainability Economics

Came across this interesting article by Robert U. Ayres (Ecol. Econ. 67: 281-310), which presents an assessment of where we stand on "sustainability economics." It's from 2008. In the somewhat academic lingo, one might recognize concepts that have been popularized in the few years since. I picked the following passages, but to better appreciate these endpoints you're encouraged to read the whole thing.

On Paul Gilding's The Great Disruption (p. 293):
"..is there a plausible scenario that could get us to a reasonable approximation of the zero-emissions world within a couple of generations? I believe there is such a scenario, viz. the solar hydrogen-plus-conservation economy, although the short name does not give sufficient emphasis to the equally important future roles of wind, tidal power, biomass, photovoltaic (PV) electricity, materials recycling, ultra-light electric vehicles, and possibly nuclear electricity. Nor does it give sufficient emphasis to the shift from “throw-away product orientation” to “lifetime service orientation” (IPS) in the manufacturing sector. Another name for the scenario could be “the spaceship economy”. However it is named, I believe this scenario is inevitable in the long run, if the world does not explode into resource wars and anarchy." And: "My core argument is that this combination of technological potential and demonstrated demand (reflecting a societal need) could trigger an industrial revolution of the first magnitude. Surprisingly, perhaps, none of the standard energy-economic forecasting models predict such a burst of creative activity" (my emphasis). A bit before: "There are no physical laws standing in the way. The major barriers are indifference, initial costs and vested interests."
On the Circular Economy (p.291):
"In the ultimate spaceship (or circular) economy the material cycle would have to be closed, or nearly so. On the other hand, such an economy must be extremely energy-(exergy)-intensive. Are there enough non-polluting sources of energy? The answer is probably ‘yes’ at least in the long run."


Monday, October 22, 2012

Raise the green bar to incite innovation

"Het Financieele Dagblad," the Dutch Financial Times, called for readers to share innovative and entrepreneurial ideas while coalition negotiations are taking place behind closed doors. Here's my response, which was published on http://fd.nl/opinie/285724-1209/vernieuwende-ideen (Dutch, registr. req'd):

As prospective coalition parties PvdA and VVD seem to be well on their way toward a coalition agreement, the question is less about which combination of parties would guarantee an entrepreneur's perspective in policy making - it's about what policies the coalition should put forward to foster entrepreneurism in the Netherlands and sustainably recover from the crisis. Many good proposals have been made, such as those by Jan Rotmans et al. in this paper (Oct. 8, 2012) and by Herman Wijffels in his booklet "Formeren is vooruitzien." At first sight, their 'green' and 'circular' economy may seem to put unhelpful, additional restrictions on the set of solutions to the economic crisis, but the opposite is true: 'green' as a guiding principle is not restrictive, it is liberating.
It opens doors to a new realm of smart, elegant products and services. It allows entrepreneurs and designers renewed creativity. Demand for construction and installation workers goes up. Work regains purpose. Take a look at Germany, where small and medium enterprises have energetically gone to work now the country has chosen to transition to renewable energy.
That should be possible for the Netherlands as well. For the Ellen MacArthur Foundation, McKinsey has calculated that by moving to a circular economy - one that is regenerative, designed to maximize reuse of resources and eliminate waste - EU industries would gain $630 billion a year up to 2025 compared to the current model, stimulating economic activity in product development, remanufacturing and refurbishment. The Netherlands should seize this opportunity as it is well positioned to do so - no other country sends as little a share of its waste to landfill and the Dutch economy is one of the most resource-efficient in the world.
The countless green grassroots initiatives in the Netherlands are proof that citizens and entrepreneurs are willing and ready - may the new government facilitate this transition by setting high the green bar.

Thursday, October 11, 2012

Lancegate

De affaire Armstrong - “Lancegate” - is vooral een verhaal van morele armoede, dat past in het rijtje bankencrisis en bouwfraude. Het lijkt me geen probleem dat zich tot de wielersport beperkt. Het is een verhaal van machtsmisbruik, van private kortetermijnbelangen die het winnen van de gedeelde langetermijnbelangen van de sport en de jeugd, van meelopen en vastlopen, waarin de echte helden de 'losers' waren, uitzonderingen die hun baan en droom riskeerden. Het is te danken aan degenen die geen belang hadden bij het verzwijgen van de dopingcultuur, zoals de vaak van het voeren van een hetze beschuldigde Franse politie en justitie (met ongetwijfeld hun eigen onvolmaaktheden), dat de ommekeer in het wielrennen nu in gang is - niet aan de sporters, de bonden, of het journaille. Om zich te weren tegen de rot in elk systeem is onafhankelijk, kritisch denken, moed, mondigheid en het koesteren van alternatieven gevraagd, en een samenleving die dat stimuleert.

Monday, October 01, 2012

Springtij 2012

Nog hoog op de golf van #Springtij2012 surf ik weer huiswaarts. Drie dagen ondergedompeld in duurzaam Nederland, het heeft me duizelingen gebracht. Nu, tijdens een lange treinreis, kunnen ze langzaam plaatsmaken voor een grove synthese van drie dagen plenaire sessies, masterclasses en persoonlijke gesprekken, in collegezaaltjes, kerkjes, bos en duin, rond kampvuren, aan ontbijt- en dinertafels, in de bus en op de fiets, tussen de tonnen, in een parochietuin en op de boot.

Kort na aankomst op het mooie Terschelling werd de enorme urgentie van het duurzaamheidsvraagstuk meteen in woord, getal en beeld goed ingewreven. Ik merkte dat ook het goed ingevoerde Springtijpubliek ernstig was geraakt door de beelden van een door het Noordpoolijs zakkende Bernice Notenboom en de curves die de desastreuze afname van het arctische zee-ijsvolume lieten zien. In geen mogelijkheid is een ijsvrije Noordpool nog te voorkomen, en god betere dat niet het permafrost en Groenland in de val worden meegesleurd. De grondstoffen raken op, de zee wordt een plastic soep en soorten verdwijnen in moordend tempo. Ondertussen groeit de wereldbevolking rustig verder, wordt rijker en vraagt steeds meer van moeder aarde. De trends kenden we al, maar het is altijd weer erger dan voorheen, nooit valt het mee. De situatie is hopeloos (“maar niet wanhopig,” zei Wouter van Dieren).

De frustratie zit dan ook hoog bij de meeste deelnemers. Waarom gebeurt er niets in Nederland? Voor zijn cleantechmiljarden vindt Paul Kloppenburg geen projecten in Nederland, alles gaat naar elders. Eneco bouwt zijn windmolens in België. En Iman Stratenus van de World Business Council for Sustainable Development zit vooral met Koreanen aan tafel, nauwelijks met Nederlanders. In twee decennia zijn we van een gidsland een “omgekeerd Asterixlandje” in Europa geworden (ook al gaat het volgens het PBL behoorlijk goed met onze directe leefomgeving) – we zakken op de belangrijkste lijstjes, zei Alexander Rinnooy-Kan.

Op Springtij leek bijna niemand nog iets goeds te verwachten van de grote jongens, van de overheid, de olie- en gasbedrijven of de energiereuzen. De energiebaronnen Alders, Lankhorst en Benschop, die zich als vrienden van de planeet dachten te presenteren, bereikten het tegenovergestelde. Zij moesten de hoon van de zaal trotseren, want er is geen geduld meer voor vingerwijzen naar de ander. En ook niet meer voor de fatalistische business-as-usual scenarios waarachter de Shells en Exxons zich verschuilen en die zij verwarren met quasi-stoer ingenieursrealisme.

Dat leek me duidelijk anders dan een aantal jaar terug. Toen waren de energiepijlen nog op de overheid gericht, en op de energiegiganten. De overheid moest de regie in handen nemen, en de energiebedrijven moesten zich daarnaar voegen of met vrijwillige afspraken de weg plaveien. Met een goed Rijnlands publiek-privaat polderhuwelijk zouden we CO2-kampioen worden. We willen het nog steeds, maar het geduld is op. Nee, op dit Springtij werd niet in eerste instantie naar de andere partij gewezen; het moet van ons allemaal komen. Jim MacNeill begon ermee op de openingsmiddag. Politici leiden het volk daarheen waar het naar toe wil, zei hij. Laat dus vooral weten waarheen dat is: schrijf naar je volksvertegenwoordiger, naar je krant, gebruik facebook en twitter. Rinnooy-Kan, op zijn vrije zaterdag naar Springtij gekomen, begreep het één-tweetje. Hij verwierp de tegenstelling tussen leiders en volgers. Iedereen in elke rol – als kiezer, consument, ondernemer, baas, medewerker, belegger, ouder, etc. – draagt verantwoordelijkheid. zei hij. Het gaat erom die te nemen. Vrij naar G.W. Bush:  “Zolang je geen deel bent oplossing, ben je onderdeel van het probleem."

Het heft in eigen hand nemen, dat gebeurt al volop! Springtij liep over van de voorbeelden. Denk aan het succes van Marjan Minnesma en Jan Rotmans met Urgenda, er zijn al 180 energiecoöperaties in Nederland ving ik ergens op, duurzame dorpen, de vele creatieve ondernemers, de jongerenacties, de nieuwe concepten zoals de blue en circular economy, enzovoort. De boodschap: we wachten niet langer, we doen het zelf wel. Aan ideeën, modellen en energie geen gebrek.

We klampen ons graag vast aan deze ontwikkeling en roepen dat de duurzaamheidsrevolutie is aangebroken. Oude waarden worden hervonden, waarden die passen bij een duurzame samenleving. Jongeren geven niet meer om bezit en delen graag hun auto of boormachine. Zijn we op weg naar een nieuwe gemeenschappelijkheid die de oude orde van onderop verdrijft?

Ik hoop het. Maar ik moet ook denken aan de jongeren die in Haren er een wonderlijke idee van het concept ‘delen’ op na bleken te houden. En weliswaar zijn wij op Springtij tamelijk eensgezind (“OSM: ons soort mensen,” noemde Jan Paul van Soest dat, met een gedeelde voorkeur voor een egalitaire en communautaire samenleving), maar in Nederland, en ook elders, met name in Amerika, is de tweedeling in de samenleving scherp, zie de recente parlementsverkiezingen. Twee uiteenlopende visies op de samenleving houden de politiek in gijzeling, een reden waarom er op hoger niveau zo weinig gebeurt. Wat voor de één de hemel is, is voor de ander een socialistische hel.

Kan in deze context een duurzaamheidsrevolutie van onderaf over het kantelpunt komen? Of gaat ze tegen deze kloof oplopen? Het laatste lijkt me reëel. We kunnen de rijksoverheid en de grote energiebedrijven wel afschrijven en negeren, maar staat de urgentie dat wel toe? Schaal is hard nodig, zei Jim MacNeill. “Met gloeilampen vervangen komen we er niet.” Schaal, daar kunnen we de grote jongens goed voor gebruiken: de overheid om de kaders te stellen, bedrijven voor het groot maken van innovaties.

“De duurzaamheidsbeweging moet niet alleen maar mediteren, maar meedoen om de macht,” zei dan ook Iman Stratenus. Het was een terugkerend thema en, denk ik, de belangrijkste boodschap aan Springtij. Vanuit Stratenum’s internationale perspectief lijkt progressief Nederland vooral de zijlijn op te zoeken als het spel ons te vuil is. Maar langs de lijn wordt niet gescoord. Een beetje "Machiavellisme 2.0" mag dan ook best, sterker nog, is noodzaak, legden Rob Chömpff en Jan Paul van Soest uit in de Zeevaartschool, want de tegenkrachten zijn ‘geöliede’ machines en doen niet anders. Framing is de sleutel. We worden aan alle kanten gevangen in sluwe frames in de strijd om de hearts and minds. Halen we daar onze neus voor op, of gaan we de confrontatie aan met de tactieken die daarvoor nodig zijn? Liefdevolle confrontatie, dat wel, hoe moeilijk ook - “with malice toward none, with charity for all” (Abraham Lincoln, dus ooit een Republikeins frame) kunnen we de weg vinden naar nieuwe gemeenschappelijkheid. De circular economy, de blue economy, zero impact growth, Nederland krijgt nieuwe energie, TEEB (The Economics of Ecosystems and Biodiversity): aan bewegwijzering geen gebrek.

Buiten voor zeevaartschool Willem Barentsz speelde een kleuter. De hippe elektrische Renault Twizy zoemt zachtjes voorbij. De kleuter keek op, was even stil en riep: “papa, ik wil ook zo’n auto!” Papa weet nu waarheen.